fragment uit 'De binnenkamer'

 
(Uit hoofdstuk 10: Hoop hebben)

Een van de bijkomende zegeningen van het zendingsleven is dat ons gevraagd wordt om te vertellen wat God in ons leven en in het land waar we werken aan het doen is. Het probleem is dat we vaak geestelijker overkomen dan we in werkelijkheid zijn, zelfs wanneer we eerlijk zijn over de moeilijkheden waarmee we geconfronteerd worden en de lessen die God ons geleerd heeft.

Bij een van die gelegenheden had ik net een toespraak gehouden voor een groep vrouwen en liep ik het gebouw uit om naar mijn auto te gaan. Een van de oudere vrouwen uit de groep begeleidde me naar de parkeerplaats. Ze was klein en keurig gekleed en liep vriendelijk naast me te babbelen over de samenkomst zonder ook maar iets te laten merken van wat ze werkelijk dacht. Maar voor ik het portier van de auto opendeed legde ze haar hand op mijn arm en zei ze weemoedig: ‘Ik doe zo mijn best om een goed christen te zijn, maar het lijkt maar niet te lukken. Ik heb te weinig geloof.’
Wat ze zei is typerend voor veel oprechte christenen. Wat moet je zeggen tegen degene die de boodschap heeft gehoord of het boek heeft gelezen en bij wie het nog steeds ‘niet lijkt te lukken’? Tegen degene die ondanks zijn of haar goede wil en bedoelingen nog steeds moeite heeft om tijd met de Heer door te brengen of te geloven? Is het enige wat deze lieve vrouw nog rest: zich beperken tot een verdrietige blik naar andere, schijnbaar betere christenen? Of erger nog: zichzelf geleidelijk van God distantiëren omdat ze zich schuldig of niet goed genoeg voelt?